Burgemeesters openen in september Oktober Kindermaand 2019 met verhaal over Henric Piccardt

Foto: Johan de Boer

REGIO – Dit jaar staat tijdens Oktober Kindermaand het boeiende verhaal van Henric Piccardt centraal.

Zoals ieder jaar verzorgen de Groningse burgemeesters in september de officiële aftrap van Oktober Kindermaand door het voorlezen van een volksverhaal. Voor het eerst bepalen de gemeenten zelf, in overleg met een basisschool in hun gemeente, wanneer de burgemeester, of in een enkel geval een wethouder, langskomt.

Henric Piccardt
Dit jaar staat het boeiende verhaal van Henric Piccardt (1636-1712) centraal. Piccardt, een domineeszoon uit Woltersum, vertrok op zijn 22e als student met de noorderzon. Hij belandde in Parijs en werd daar kamerheer van koning Lodewijk de Veertiende, de zonnekoning. Van Piccardt, die eens eigenaar was van de Fraeylemaborg in Slochteren, wordt ook verhaald dat hij Parijs af en toe als zwerver verkende en onder bruggen sliep.

Maar of dat waar is? De kinderen horen er in het verhaal meer over. Het verhaal werd geschreven door erfgoeddocente Tineke Neyman uit Groningen.

Stickerkaarten
Ook dit jaar worden er onder alle basisscholen in de provincie speciale stickerkaarten uitgedeeld. Door deel te nemen aan activiteiten kunnen kinderen stickers verdienen, bij de derde sticker krijgen ze een prijsje.

Voedselbankkaarten
In 2019 zijn de voedselbanken in Groningen ook weer betrokken bij Oktober Kindermaand. Daarmee hopen we het evenement meer inclusief te maken. De speciale kaart geeft één volwassene recht op vrij entree voor een Oktober Kindermaand-activiteit.

Oktober Kindermaand is de maand waarin er heel veel creatieve en spannende activiteiten zijn voor kinderen tussen de 4 en 12 jaar. Op een laagdrempelige manier maken zij kennis met culturele instellingen in de provincie. Op alle zaterdagen en zondagen in oktober worden er verschillende speciale activiteiten aangeboden.

Aan Oktober Kindermaand doet weer een keur aan instellingen mee. Het programma is binnenkort te raadplegen via www.kindermaand.nl.

De man met de zwarte cape
“Zo. Dat is de laatste.” Met een bons zet de vader van Sem een doos met boeken onder de witte luifel van het stalletje. Hij wrijft over zijn rug en kijkt speurend rond. “Ik heb wel zin in koffie. Daar vooraan bij de borg is een restaurant. Wil jij eens kijken of je daar een bekertje koffie voor me kunt halen, Sem?” Hij opent het kistje met wisselgeld en geeft Sem een briefje van tien. “En haal ook maar wat te drinken voor jezelf en voor Lieke. En geen cola.” Zuchtend staat Sem op uit zijn klapstoeltje. Hij was veel liever thuis gebleven. Maar mama is dit weekend op stap met een vriendin. En daarom moeten Lieke en hij mee naar de tuinfair bij de Fraeylemaborg, waar papa tweedehands boeken over rozen gaat verkopen. Hij hoopt maar dat het gaat regenen, dan kunnen ze vroeg naar huis.
Het restaurant is nog niet open. Sem kijkt rond of hij ergens anders een bekertje koffie kan halen. En dan ziet hij opeens Lieke. Ze staat aan de andere kant van de brug. Op het stoepje voor de borg. Haar rode trui steekt fel af tegen de dondergroene deur. Lieke kijkt snel van links en rechts over haar schouder. Sem heeft direct door wat er aan de hand is. “Ooooh, man…”, kreunt hij en bolderend rent hij de houten brug over. Wanneer hij bij het trapje aankomt, staat de deur op een kier. Lieke is nergens meer te zien.
Voorzichtig steekt Sem zijn hoofd om de hoek van de deur. Het is doodstil binnen. Een eindje vóór hem staat Lieke, onderaan een houten trap van maar drie treden hoog. Daarachter ligt een grote kamer met een hoog plafond. Lieke heeft haar voet al op de onderste tree van het trapje staan. “Lieke…”, sist Sem. Lieke kijkt achterom en legt haar vinger op haar lippen. Langzaam sluipt ze het trapje op. “Lieke, doe nou niet”, fluistert Sem dringend. Hij stapt naar binnen. Links en rechts in de gang is niemand te zien. Dan hoort hij een piepje. Als van een bang jong hondje. Hij ziet hoe ze, heel, héél langzaam, als in een vertraagde film, achteruit stapt. Hoe ze met haar voet de onderste tree mist. Hoe ze struikelt. En dan ziet hij HEM.
Een man met een grote hoed en een fladderende zwarte cape stormt in één grote sprong het trapje af, klaar om Lieke bij haar arm te grijpen. Zonder er bij na te denken, rent Sem naar voren. Met zijn rechterarm maait hij wild in het rond. Hij voelt hoe zijn vuist de hoed van de man raakt en ziet een bos bruine krullen tegen de grond vallen. “Ik heb zijn hoofd er af geslagen”, schiet het door hem heen. Als hij zich omdraait, ligt de man op handen en knieën naast Lieke. Verrassend snel krabbelt hij overeind. “Is alles goed met je? Heb je je pijn gedaan?” Zijn stem klinkt bezorgd. “Ik zág je vallen, ik dacht dat ik je nog kon opvangen, maar…” Verwilderd kijkt Sem naar de man die over Lieke gebogen staat. “Meester Dennis?” zegt hij verbaasd.
De man in de cape kijkt bijna b net zo verbaasd terug. “Sem?” Dan kijkt hij weer naar Lieke, die intussen ook weer op haar benen staat. “Gaat het echt wel?” Lieke knikt. De man raapt zijn hoed en de pruik met de bruine krullen op. “Nou, jullie hebben me wel laten schrikken, zeg. Ik had jullie helemaal niet aan horen komen. Wat grappig dat ik jou hier tegenkom, Sem.” Sem kijkt naar Lieke. “Dat is meester Dennis. Die loopt stage in mijn klas”, zegt hij. “Oh. OK,” zegt Lieke. Ze is nog niet helemaal bijgekomen van de schrik. “Jij bent zeker het zusje van Sem? Jullie lijken op elkaar” zegt meester Dennis vriendelijk. “Waarom, …”, begint Lieke. Ze maakt zijn zin niet af, maar wijst naar de pruik, de hoed en de cape. Meester Dennis lacht. “Waarom ik hier rondloop in een Dracula cape, een pruik en een ooglapje?”, vraagt hij, terwijl hij de pruik en de hoed oppakt en uitschudt. “Dat is voor
een opdracht van school. Ik moet in een museum een geschiedenisverhaal vertellen aan kinderen. Maar dan alsof ik het zelf heb meegemaakt. Alsof ik, zeg maar, uit de tijd kom waarin het verhaal gebeurd is.” Meester Dennis trekt een overdreven angstig gezicht. “Om eerlijk te zijn vind ik het héél spannend. Ik heb nog nooit zoiets gedaan. Ik was nog even aan het oefenen.” Onderzoekend kijkt hij naar Sem en Lieke. “Willen jullie alvast horen wat ik ga vertellen, vanmiddag? Misschien kunnen jullie me nog tips geven.” “Ok…”, zegt Lieke aarzelend. “Ja, leuk,” zegt Sem.
Sem en Lieke zitten op één van de vloerkleden in de grote kamer. Meester Dennis staat in de hal. “Zitten jullie goed? Kan ik beginnen?”, roept hij. “Ja!” roepen Sem en Lieke in koor. Dan verschijnt meester Dennis. Hij heeft zijn pruik en zijn hoed weer op en voor zijn ene oog draagt hij een lapje. Dicht langs de muur sluipt hij het trapje op, alsof hij een inbreker is. “Het valt niet mee” begint hij. Lieke giechelt. “Ssssst!” sist Sem.
“Het valt niet mee” begint meester Dennis opnieuw, “om ’s nachts het paleis uit te sluipen zonder dat iemand het merkt. Overal zijn mensen. En mensen klikken graag bij de koning. Als die te weten komt dat één van zijn kamerheren ’s nachts stiekem op pad gaat, word ik direct het paleis uitgeschopt. Want als kamerheer moet je er zijn voor de koning. Altijd. Als kamerheer heb je geen tijd voor jezelf. Nooit. Niet dat ik zoveel werk te doen heb, trouwens. Om eerlijk te zijn: kamerheren zoals ik doen meestal niet veel meer dan een beetje toekijken bij wat de koning doet. We kijken toe hoe één van ons hem elke ochtend precies om acht uur wakker fluistert. We kijken toe hoe één van ons hem in zijn dure, modieuze kleren hijst. We kijken toe hoe hij een pruik kiest uit zijn verzameling van driehonderd gepoederde en geparfumeerde pruiken. We kijken toe hoe hij zijn gebeden zegt. Hoe hij zijn ontbijt eet. Hoe hij op een po zit te poepen…” “Ieuw! Echt waar?” roept Lieke. “Waar iedereen bij is?” Sem stoot Lieke aan. “Stil nou.”

“Toen ik gevraagd werd, was ik natuurlijk vereerd. Kamerheer van de Franse koning Lodewijk de Veertiende. Een kamer in het paleis. Trots schreef ik een brief aan mijn ouders in Groningen. Maar om eerlijk te zijn begint het leven als kamerheer me te vervelen. Ik kan veel meer dan alleen maar pruiken uitzoeken. Ik heb gestudeerd. Ik spreek Latijn en Frans, Nederlands en een beetje Gronings. Ik schrijf gedichten en ik ben muzikaal. Ik heb lef. Ik kan geheimen bewaren. Ik heb rijke en machtige vrienden. Er wordt naar mij geluisterd. Ik ben, nu de koning ruzie zoekt met Nederland, de juiste persoon om zijn berichten naar de Stadhouder in Nederland te brengen. Maar totdat ik die kans krijg, hang ik rond ik het paleis en kijk ik toe hoe de koning om acht uur wakker gefluisterd wordt. Pfffff…..

Intussen heb ik zo mijn eigen manier gevonden om mijn leven hier wat avontuurlijker te maken. Wanneer het maar even kan, sluip ik stiekem het paleis uit. In de donkere schaduwen onder één van de bruggen vlak bij het paleis zet ik mijn gepoederde pruik af, trek ik mijn goeie kleren uit en verkleed ik me als bedelaar. Hinkend, met een kromme rug, kom ik weer tevoorschijn. Met mijn kleine harp in mijn armen geklemd wandel ik naar de Pont Neuf. Daar, op de grootste brug van Parijs, waar iedereen me kan zien maar niemand me herkent, zing ik liedjes en speel ik op mijn harp. Soms zingen mensen mee. Soms krijg ik wat geld. Of een korst brood. Vaak rijden er koetsen over de brug, op weg naar het paleis van de koning. Dan zie ik ze voor me: de dames en heren in die koetsen, die hun geparfumeerde zakdoekjes tegen hun neus houden om de stank van de stad niet te ruiken. Die hun best doen om de bedelaars niet te zien. Ze hebben geen idee dat één van die bedelaars morgenochtend weer tussen hen in staat toe te kijken hoe de koning zijn ontbijt eet…

Soms zing ik liedjes die ik als schooljongen hoorde op straat, in Groningen. Liedjes die ik thuis maar beter niet kon zingen. Dan denk ik aan de tijd dat ik vanaf ons huis aan de Vismarkt naar de Latijnse school liep. Dan hoor ik de dienstmeiden roepen en de meeuwen krijsend vechten om het afval dat de visverkopers op straat gooien. Dan zie ik de Groninger borgen voor me, waarvan ik toen dacht dat het paleizen waren. Misschien ga ik wel terug. Want nu de koning het steeds vaker heeft over een oorlog met Nederland, voel ik me als Nederlander ook niet helemaal veilig, hier… Hoewel, als kamerheer van de Franse Koning zullen ze me misschien als verrader zien, daar in Groningen. Maar kom, met dat soort gedachten hoef ik jullie niet lastig te vallen. Laten we zingen.”

Zingend loopt meester weg. Bij de deur draait hij zich om. “En? Wat vonden jullie er van?” Lieke steekt haar vinger op. “Zat de koning echt te poepen waar iedereen bij zat?” vraagt ze met grote ogen. Meester Dennis knikt. “En heeft die man met dat ooglapje echt bestaan?” vraagt Sem. Meester Dennis knikt weer. Hij wijst omhoog naar een schilderij, hoog aan de muur. Het is een schilderij van een man. Hij is niet jong meer en hij heeft dikke, bruine krullen die tot ver over zijn schouders vallen. Hij draagt een glimmende, paarsrode jas en een dunne, witte sjaal met kant. “Dat is ‘m”, zegt meester Dennis. “Henric Piccardt. De Groninger die kamerheer was van de Franse koning. En hier…,” meester Dennis spreidt zijn handen en draait een rondje, “hier heeft hij gewoond toen hij terugkwam uit Frankrijk.” Sem kijkt om zich heen. “Cool,” mompelt hij. “Had de koning ontdekt dat hij stiekem ’s nachts weg ging en moest hij daarom weg?” vraagt Lieke. Meester Dennis schudt zijn hoofd. “Sorry, dat weet ik niet precies. Dat zou je hier aan de mensen van de borg moeten vragen. Die weten veel meer over Henric Piccardt dan ik.” Meester Dennis steekt zijn vinger in de lucht. “Ik weet trouwens wel waar hij begraven ligt. Hier vlakbij. In de kerk van Harkstede. Daar moet je echt een keer gaan kijken. Je kunt er niet alleen het graf van Henric Piccardt zien, maar ook de bibliotheek die hij daar voor zichzelf heeft laten bouwen. En zijn privé wc.” Lieke trekt een vies gezicht. “Ja, want dat poepen op een po, waar iedereen bij staat, daar was hij natuurlijk goed klaar mee. “Ok. Maar nu jullie. Hebben jullie nog een tips voor me?” “Ja,” zegt Sem ernstig. “Eén. Maar wel een heel belangrijke.” Meester Dennis kijkt Sem ernstig aan. “Nóóit bovenop je publiek springen voordat je gaat vertellen,” zegt Sem grijnzend. “Daar schrikken mensen van.” Meester Dennis moet hard lachen. “Dat zal ik zeker onthouden!” zegt hij.

Tineke Neyman 19 augustus 2019

Informatie voor scholen: Wil je zelf ook eens iemand in de klas te hebben die, gekleed in het kostuum van een 17e eeuws personage, vertelt over Henric Piccardt en over het leven van mensen in het 17e eeuwse Groningen? Dat kan. In het kader van het ‘Rondom Piccardt’ komen vertellers graag bij je op school om je geschiedenislessen te verlevendigen met hun spannende verhalen. Voor meer informatie: https://rondompiccardt.com/ onder ‘schoolproject’.

Ingezonden.

Op het beeldmateriaal op de website van RTV Westerwolde rusten auteursrechten.